ECLI:NL:CRVB:2024:586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en werk in Nederland
Appellant heeft een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij van 1973 tot en met 1983 in Nederland woonde en werkte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft dit onderzocht en geen aanwijzingen gevonden die dit ondersteunen. De Svb wees de aanvraag af en handhaafde dit besluit na bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de afwijzing. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij in Nederland woonde en werkte en dat zijn financiële situatie moeilijk is. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep onderzocht en oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn verblijf en werkzaamheden in Nederland in de genoemde periode.
Het onderzoek van de Svb was zorgvuldig, inclusief navraag bij de gemeente Amsterdam, het genoemde hotel en pensioenfondsen, zonder bevestiging van appellant's stellingen. Overgelegde documenten zoals een behandelverslag en foto’s boden geen voldoende bewijs. Persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen geen toekenning van pensioen zonder verzekering.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en handhaaft de afwijzing van de AOW-aanvraag. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De aanvraag voor AOW-pensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van verblijf en werk in Nederland tussen 1973 en 1983.