ECLI:NL:CRVB:2024:595
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs van verblijf of werk in Nederland
Appellant heeft op 29 april 2021 een aanvraag ingediend voor AOW-pensioen, stellende dat hij van 1971 tot 1979 in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft na onderzoek geconcludeerd dat er onvoldoende bewijs is dat appellant in die periode verzekerd was voor de AOW en heeft de aanvraag afgewezen. Zowel in bezwaar als in beroep heeft appellant onvoldoende onderbouwing geleverd om dit te weerleggen.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing in stand gelaten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel na behandeling van het hoger beroep. De Raad stelt vast dat de door appellant overgelegde stukken, waaronder getuigenverklaringen en een foto, niet verifieerbaar zijn en onvoldoende bewijs vormen dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
De Svb heeft zorgvuldig onderzoek gedaan bij gemeenten en pensioenfondsen, waar appellant niet bekend was. Op grond hiervan concludeert de Raad dat appellant niet verzekerd was voor de AOW in de genoemde periode en daarom geen recht heeft op AOW-pensioen. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag voor AOW-pensioen wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Nederland heeft gewoond of gewerkt in de relevante periode.