ECLI:NL:CRVB:2024:650

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
4 april 2024
Zaaknummer
23/1880 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AOWArt. 21 NMVAlgemene OuderdomswetAlgemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag ouderdomspensioen AOW wegens onvoldoende verzekeringsduur

Appellante heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Deze aanvraag is door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de verzekeringsduurvereiste van minimaal één kalenderjaar.

Appellante heeft nooit in Nederland gewoond of gewerkt, maar heeft wel een huwelijks tijdvak vervuld omdat zij getrouwd was met haar echtgenoot die voor de AOW verzekerd was gedurende een periode van drie maanden. Volgens artikel 7, eerste lid, van de AOW, zoals sinds 1 april 2015 van kracht, ontstaat het recht op ouderdomspensioen pas na een verzekeringsperiode van minimaal één kalenderjaar.

De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het oordeel van de rechtbank bevestigt. De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet aan de voorwaarden voldoet en dat een verzekerde periode van minder dan één jaar niet leidt tot toekenning van een ouderdomspensioen.

Omdat het hoger beroep niet slaagt, wordt het betaalde griffierecht niet vergoed. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een ouderdomspensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende verzekeringsduur.

Uitspraak

23.1880 AOW

Datum uitspraak: 22 maart 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2023, 22/4246 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] , Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Zitting heeft: M.L. Noort, als lid van de enkelvoudige kamer.
Griffier: R.R. Olde Engberink.
Ter zitting van 22 maart 2024 is appellante niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.F.M. Vonk.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de overwegingen.
Appellante is getrouwd met M. [echtgenoot] . Met ingang van februari 2006 is aan [echtgenoot] een ouderdomspensioen op grond van de AOW [1] toegekend waarbij als verzekerde periode is aanvaard de periode van 1 januari 1979 tot en met 31 maart 1979. De aanvraag van appellante om toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de AOW is door de Svb afgewezen met een besluit van 12 januari 2022 omdat appellante niet verzekerd is geweest voor de AOW. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met een besluit van 20 juli 2022 (bestreden besluit) door de Svb ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en verzoekt de Raad de uitspraak te herzien.
De Raad komt het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend. De Svb heeft met juistheid geconcludeerd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van een ouderdomspensioen. Appellante heeft nooit in Nederland gewoond of gewerkt. Appellante heeft wel een zogenoemd huwelijks tijdvak vervuld als bedoeld in artikel 21 van Pro het NMV [2] omdat zij met [echtgenoot] getrouwd was gedurende de drie maanden dat hij voor de AOW verzekerd is geweest. Maar in artikel 7, eerste lid, van de AOW, zoals dit artikel luidt sinds 1 april 2015, is onder meer bepaald dat het recht op ouderdomspensioen pas ontstaat als een betrokkene minimaal één kalenderjaar verzekerd is geweest. Een verzekerde periode van minder dan één jaar zoals in het geval van appellante kan niet leiden tot toekenning van een ouderdomspensioen. Er is dus geen reden om het besluit van de Svb voor onjuist te houden. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
Omdat het hoger beroep niet slaagt wordt het door appellante betaalde griffierecht niet vergoed.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.L. Noort
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

Voetnoten

1.Algemene ouderdomswet.
2.Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko.