ECLI:NL:CRVB:2024:650
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag ouderdomspensioen AOW wegens onvoldoende verzekeringsduur
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Deze aanvraag is door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) afgewezen omdat appellante niet voldeed aan de verzekeringsduurvereiste van minimaal één kalenderjaar.
Appellante heeft nooit in Nederland gewoond of gewerkt, maar heeft wel een huwelijks tijdvak vervuld omdat zij getrouwd was met haar echtgenoot die voor de AOW verzekerd was gedurende een periode van drie maanden. Volgens artikel 7, eerste lid, van de AOW, zoals sinds 1 april 2015 van kracht, ontstaat het recht op ouderdomspensioen pas na een verzekeringsperiode van minimaal één kalenderjaar.
De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die het oordeel van de rechtbank bevestigt. De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat appellante niet aan de voorwaarden voldoet en dat een verzekerde periode van minder dan één jaar niet leidt tot toekenning van een ouderdomspensioen.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, wordt het betaalde griffierecht niet vergoed. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een ouderdomspensioen wordt afgewezen wegens onvoldoende verzekeringsduur.