Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het oordeel van de Raad
WIA-uitkering in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding in juni 2019 wegens psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen heeft dan het UWV aannam, ondersteund door een rapport van een eigen verzekeringsarts. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig en overtuigend is en dat het aanvullende rapport onvoldoende aanleiding geeft om het oordeel te herzien. De Raad wijst het verzoek tot benoeming van een deskundige af.
De Raad concludeert dat de geduide functies passend zijn en dat appellante terecht geen WIA-uitkering ontvangt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.