ECLI:NL:CRVB:2024:671

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
22/3633 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:22 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en veroordeling in proceskosten

Het UWV heeft op 7 mei 2020 de WIA-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 8 juli 2020. Appellant maakte bezwaar, maar het UWV handhaafde het besluit op 23 oktober 2020. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Rotterdam, die het beroep ongegrond verklaarde, maar het UWV vanwege een motiveringsgebrek veroordeelde tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Namens appellant werd hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Het UWV nam op 30 oktober 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarin het bezwaar van appellant alsnog gegrond werd verklaard en de WIA-uitkering werd hervat vanaf 8 juli 2020. Vervolgens trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

De Raad oordeelde dat het UWV volledig aan appellant tegemoet was gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte kosten, waaronder een bedrag van € 875,- aan rechtsbijstandskosten en het betaalde griffierecht van € 136,-. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten en de uitspraak werd openbaar gedaan op 4 april 2024.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het betaalde griffierecht.

Uitspraak

22.3633 WIA

Datum uitspraak: 4 april 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2022, 20/6363 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 7 mei 2020 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingetrokken met ingang van 8 juli 2020. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 23 oktober 2020 (bestreden besluit) bij de beëindiging van de WIA-uitkering gebleven.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. In verband met een motiveringsgebrek heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb bepaald dat het Uwv het griffierecht aan appellant moet vergoeden. Verder heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Namens appellant heeft mr. J.R. Kamerling hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met een besluit van 30 oktober 2023 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 17 november 2023 heeft mr. Kamerling namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Awb is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
1.2.
Het Uwv heeft bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 30 oktober 2023 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 mei 2020 alsnog gegrond verklaard en beslist dat appellant op en na 8 juli 2020 aanspraak houdt op een WIA-uitkering. Hiermee is het Uwv volledig aan appellant tegemoetgekomen.
1.3.
Het Uwv heeft besloten tot vergoeding van de gemaakte kosten in de bezwaarfase. Daarom moet de Raad alleen nog oordelen over de in hoger beroep gemaakte kosten.
1.4.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 875,- (1 punt voor het hogerberoepschrift). Ook zal de Raad bepalen dat het Uwv het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 875,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van E.X.R. Yi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024.
(getekend) E. Dijt
(getekend) E.X.R. Yi