ECLI:NL:CRVB:2024:678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over verblijfplaats
Appellante had bijstand aangevraagd en toegekend gekregen met de verplichting om wijzigingen in haar verblijfplaats direct door te geven. Na vertrek van het opgegeven adres heeft zij dit niet direct gemeld, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt. Het college trok daarop de bijstand in, omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door wisselende en tegenstrijdige verklaringen over haar verblijfplaats.
Appellante voerde aan dat zij het recht op bijstand wel aannemelijk had gemaakt met verklaringen, bankafschriften en OV-chipkaartgegevens, maar de Raad oordeelde dat deze gegevens onvoldoende waren om haar verblijfplaats vast te stellen. De Raad hechtte geen doorslaggevende waarde aan de latere verklaringen vanwege eerdere tegenstrijdigheden en het ontbreken van feitelijke onderbouwing.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waar zij verbleef in de periode waarvoor de bijstand werd ingetrokken. Hierdoor blijft de intrekking van de bijstand in stand. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.