ECLI:NL:CRVB:2024:683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over herstel medische motivering WIA-uitkeringsbesluit
Appellante, werkzaam als verzorgende, meldde zich in 2015 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar in 2018 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35,87%. Na een melding van verslechterde gezondheid in 2019 stelde het UWV in 2020 vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 13,32%, waardoor de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd door het UWV en de rechtbank ongegrond verklaard.
In hoger beroep bracht appellante nieuwe medische informatie in, waaronder een rapport van een gynaecoloog die objectieve afwijkingen constateerde die haar beperkingen verklaren. De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat appellante meer beperkingen heeft dan eerder vastgesteld, inclusief een urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week.
De deskundige handhaafde haar conclusies na reacties van partijen. De Raad oordeelt dat het UWV-besluit onvoldoende gemotiveerd is op medische gronden en in strijd is met artikel 7:12 Awb Pro. Het UWV wordt opgedragen het besluit binnen zes weken te herstellen door de beperkingen uit het deskundigenrapport over te nemen en de gevolgen voor het arbeidsongeschiktheidspercentage te herzien.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen binnen zes weken wegens onvoldoende medische motivering.