ECLI:NL:CRVB:2024:698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot hernieuwde WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante ontving sinds 1992 een WAO-uitkering vanwege psychische klachten, die in 2006 werd beëindigd. Zij verzocht meerdere malen om hernieuwde toekenning van een WAO-uitkering op grond van vermeende toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging van haar uitkering. Zowel het UWV als de rechtbank en de Raad concludeerden dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen in de relevante periode van 30 juli 2010 tot 6 november 2011.
Appellante stelde dat haar psychische klachten waren verergerd, onderbouwd met medische stukken waaronder een consultverslag van een psychiater uit 2010. De Raad volgde dit niet en vond dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit verslag en de nieuwe medicatie niet als aanleiding zag voor meer beperkingen. De Raad merkte op dat eerdere psychiaters al mogelijke diagnoses hadden overwogen en dat de nieuwe medicatie slechts tijdelijk effect had op alertheid, wat reeds was meegenomen.
De Raad concludeerde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening van het eerdere besluit rechtvaardigen. Omdat geen toegenomen beperkingen waren vastgesteld, was een arbeidskundige beoordeling niet aan de orde. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, waardoor appellante geen nieuwe WAO-uitkering krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het verzoek tot hernieuwde toekenning van een WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van toegenomen beperkingen.