ECLI:NL:CRVB:2024:722
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor bed, lattenbodem en matras bevestigd
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een bed, lattenbodem en matras voor haar zoon. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat de kosten niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden die niet uit algemene bijstand of draagkracht kunnen worden voldaan.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de kosten van een bed tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren, die in principe uit het inkomen moeten worden betaald. Appellante had onvoldoende onderbouwd waarom zij niet had kunnen reserveren, ook niet in het licht van haar echtscheiding en de lening die zij ontving voor stofferings- en inrichtingskosten.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen dat de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en dat zij niet had kunnen reserveren vanwege de echtscheiding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe of aanvullende gronden had aangevoerd en geen stukken had ingebracht ter onderbouwing. De Raad sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor een bed, lattenbodem en matras.