ECLI:NL:CRVB:2024:750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden
Appellant heeft een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend die in 2013 door het UWV werd afgewezen omdat hij ten minste het minimumloon kan verdienen. In 2019 verzocht appellant om terug te komen op dit besluit, stellende dat er nieuwe feiten en veranderde omstandigheden waren, waaronder ernstige psychische klachten en ontwikkelingsstoornissen die al vóór 2008 bestonden.
Het UWV weigerde terug te komen op het besluit na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, dat concludeerde dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en kende hem een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep betoogde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de nieuwe diagnostiek aantoont dat hij niet tot arbeid in staat was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd heeft vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn en dat een persoonlijk spreekuurcontact niet noodzakelijk was.
De Raad volgde de rechtbank in haar oordeel dat de beperkingen van appellant in de relevante Wajong-periode niet zijn toegenomen en dat de nieuwe medische informatie niet ziet op de relevante periode. Er is geen aanleiding tot benoeming van een deskundige. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.