Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:775

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
19/4543 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en veroordeling proceskosten

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een beslissing van het UWV en was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel. De Centrale Raad van Beroep deed op 30 augustus 2023 een tussenuitspraak. Vervolgens nam het UWV op 20 oktober 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellante.

Naar aanleiding daarvan trok appellante op 31 oktober 2023 het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV stemde hiermee in. De Raad liet het onderzoek ter zitting achterwege en sloot het onderzoek.

De Raad oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:75a Awb veroordeeld kon worden tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €3.937,50, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep. Verzoek om vergoeding van verletkosten werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Datum uitspraak: 24 april 2024
19/4543 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 oktober 2019, 19/617 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 30 augustus 2023 tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2023:1689.
Op 20 oktober 2023 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 31 oktober 2023 heeft appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft op 1 februari 2024 medegedeeld geen bezwaren te hebben tegen de gevraagde proceskostenvergoeding.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 oktober 2023 volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.750,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en op € 2.187,50 in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport). In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.937,50.
Het verzoek om vergoeding van verletkosten wordt afgewezen, omdat dit verzoek niet is onderbouwd met bewijsstukken.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.937,50;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 175,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) S. Pouw