ECLI:NL:CRVB:2024:806
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging brutering terugvordering bijstand wegens niet tijdige betaling in kalenderjaar ontstaan
In deze zaak gaat het om de brutering van een netto vordering van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op appellant, ontstaan door een besluit van 5 oktober 2021 waarbij de bijstand van appellant werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode januari tot en met augustus 2021.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college handhaafde de intrekking en terugvordering met een besluit van 3 maart 2022, gebaseerd op schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Appellant stelde geen beroep in tegen dit besluit, maar verzocht om herziening, waarover nog een procedure loopt.
Het college handhaafde de brutering na bezwaar met een besluit van 12 mei 2022. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep stond de vraag centraal of het college terecht gebruik mocht maken van de bruteringsbevoegdheid. De Raad stelt dat het college dit alleen mag als twee cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: de vordering moet mede door het college zijn ontstaan en appellant mag niet kunnen worden verweten dat hij de vordering niet in het kalenderjaar van ontstaan heeft voldaan.
Appellant voerde aan dat aan beide voorwaarden was voldaan, verwijzend naar de herzieningsprocedure en zijn stellingen over het niet ontvangen van informatieverzoeken, late inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het ontbreken van inkomsten. De Raad oordeelt echter dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hem niet kan worden verweten dat hij de vordering niet in 2021 heeft betaald. De stelling dat appellant geen geld had vanwege bijstand is onvoldoende onderbouwd. Daarom is aan de tweede voorwaarde niet voldaan en is het college bevoegd geweest tot brutering. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, waardoor de brutering in stand blijft.
Uitkomst: De brutering van de terugvordering van bijstand uit 2021 blijft in stand omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem niet kan worden verweten dat hij niet in 2021 heeft betaald.