ECLI:NL:CRVB:2024:806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
30 april 2024
Zaaknummer
22/3740 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging brutering terugvordering bijstand wegens niet tijdige betaling in kalenderjaar ontstaan

In deze zaak gaat het om de brutering van een netto vordering van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op appellant, ontstaan door een besluit van 5 oktober 2021 waarbij de bijstand van appellant werd ingetrokken en teruggevorderd over de periode januari tot en met augustus 2021.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college handhaafde de intrekking en terugvordering met een besluit van 3 maart 2022, gebaseerd op schending van de inlichtingenverplichting door appellant. Appellant stelde geen beroep in tegen dit besluit, maar verzocht om herziening, waarover nog een procedure loopt.

Het college handhaafde de brutering na bezwaar met een besluit van 12 mei 2022. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit ongegrond. In hoger beroep stond de vraag centraal of het college terecht gebruik mocht maken van de bruteringsbevoegdheid. De Raad stelt dat het college dit alleen mag als twee cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: de vordering moet mede door het college zijn ontstaan en appellant mag niet kunnen worden verweten dat hij de vordering niet in het kalenderjaar van ontstaan heeft voldaan.

Appellant voerde aan dat aan beide voorwaarden was voldaan, verwijzend naar de herzieningsprocedure en zijn stellingen over het niet ontvangen van informatieverzoeken, late inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het ontbreken van inkomsten. De Raad oordeelt echter dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt waarom hem niet kan worden verweten dat hij de vordering niet in 2021 heeft betaald. De stelling dat appellant geen geld had vanwege bijstand is onvoldoende onderbouwd. Daarom is aan de tweede voorwaarde niet voldaan en is het college bevoegd geweest tot brutering. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, waardoor de brutering in stand blijft.

Uitkomst: De brutering van de terugvordering van bijstand uit 2021 blijft in stand omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem niet kan worden verweten dat hij niet in 2021 heeft betaald.

Uitspraak

22.3740 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van de rechtbank Midden-Nederland van 25 oktober 2022, 22/2598 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 16 april 2024
Zitting heeft: W.F. Claessens
Griffier: F.C. Meershoek
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Gürses, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Siemeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om de brutering in januari 2022 van een netto vordering van het college op appellant. Deze vordering is ontstaan door een besluit van 5 oktober 2021. Met dat besluit heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 1 januari 2021 en de over de periode van januari tot en met augustus 2021 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 3 maart 2022 bij de intrekking en terugvordering gebleven. Aan het besluit van 3 maart 2022 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door de gevraagde informatie over zijn inkomsten als zelfstandige niet te verstrekken. Tegen het besluit van 3 maart 2022 heeft appellant geen beroep ingesteld. Appellant heeft het college verzocht om dit besluit te herzien. Daarover loopt nu nog een procedure.
Het college heeft de brutering na bezwaar daartegen gehandhaafd met een besluit van 12 mei 2022 (bestreden besluit). In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of het college gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot brutering. Het college mag niet van die bevoegdheid gebruikmaken als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. De eerste is dat de vordering mede of geheel door toedoen van het college moet zijn ontstaan (eerste voorwaarde). De tweede is dat appellant niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan (tweede voorwaarde). Dit is vaste rechtspraak. [1]
Appellant heeft aangevoerd dat aan beide voorwaarden is voldaan. Hij verwijst hiervoor naar de herzieningsprocedure en in het bijzonder naar de gronden die hij in het kader van die procedure in beroep heeft aangevoerd. Die gronden komen er kort gezegd op neer dat appellant het college te kennen heeft gegeven per 1 juli 2021 geen bijstand meer te willen krijgen, dat hij de brieven met informatieverzoeken van het college niet heeft ontvangen, dat hij zijn bedrijf pas op 5 mei 2021 bij de Kamer van Koophandel heeft ingeschreven en dat hij ook na de inschrijving geen inkomsten uit zijn bedrijf heeft gehad. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wat er ook zij van de eerste voorwaarde, appellant heeft ook in hoger beroep niet duidelijk kunnen maken waarom hem niet zou kunnen worden verweten dat hij de vordering niet al heeft betaald in 2021, het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Dat blijkt in ieder geval niet uit het feit dat appellant het college heeft verzocht om herziening van het besluit van 3 maart 2022 en/of uit de gronden die appellant in de procedure daarover heeft aangevoerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat appellant de vordering niet kon voldoen in 2021, omdat hij een bijstandsuitkering ontving en dus geen geld had. Alleen al omdat appellant deze stelling niet heeft onderbouwd wordt daaraan voorbijgegaan. Aan de tweede voorwaarde is dus niet voldaan. Alleen al om die reden heeft het college gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om de vordering uit 2021 te bruteren.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. Dit betekent dat de brutering in stand blijft.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) F.C. Meershoek (getekend) W.F. Claessens

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388.