ECLI:NL:CRVB:2024:848
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na een bedrijfsongeval waarbij zij beperkingen opliep aan haar rechterpols. Het UWV heeft vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom geen uitkering toekent. De rechtbank bevestigde dit besluit, waarbij werd geoordeeld dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en gemotiveerd waren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen heeft dan door het UWV aangenomen, onder meer vanwege handklachten en pijn die haar functioneren ernstig beperken. Zij stelde dat zij niet kan autorijden, fietsen of gebruik maken van openbaar vervoer en dat zij in feite eenarmig is. Ter onderbouwing overhandigde zij een letselschaderapport van een orthopedisch chirurg.
De Raad heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische en arbeidskundige rapporten zijn overtuigend en sluiten aan bij de beperkingen. De Raad erkent een procedurele schending van artikel 7:12 Awb Pro, maar past artikel 6:22 Awb Pro toe omdat appellante hierdoor niet is benadeeld. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en dient het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.