Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd bij het UWV, dat na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek concludeerde dat niet kon worden vastgesteld of appellant op zijn 18e verjaardag of in de vijf jaar daarna duurzaam geen arbeidsvermogen had. Het UWV weigerde daarom de uitkering toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond en handhaafde het besluit van het UWV. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep, maar bracht geen nieuwe argumenten of stukken aan.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde het besluit van het UWV. Het hoger beroep werd verworpen, waardoor appellant geen Wajong-uitkering ontvangt en ook geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht krijgt. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.