Uitspraak
PROCESVERLOOP
.De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. W. van den Berg.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) een AOW-pensioen aangevraagd op grond van een vermeend woon- en arbeidsverleden in Nederland tussen 1976 en 1983. De Svb wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit besluit na onderzoek bij diverse instanties.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij ruim vijf jaar in Nederland had gewerkt bij verschillende werkgevers en ook in de haven van Rotterdam. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant geen wezenlijk nieuwe of andere gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank konden veranderen.
De Raad nam de overwegingen van de rechtbank over en concludeerde dat het niet aannemelijk is geworden dat appellant in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Hierdoor is appellant niet verzekerd voor de AOW en heeft hij geen recht op een AOW-pensioen. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen recht op een AOW-pensioen.