ECLI:NL:CRVB:2024:870

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
7 mei 2024
Zaaknummer
22/2957 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen permanente ontheffing arbeidsverplichtingen wegens onvoldoende bewijs duurzame arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam dat hem slechts tijdelijk ontheffing verleent van arbeidsinschakeling en tegenprestatie op grond van de Participatiewet. Het college had appellant voor de duur van één jaar tijdelijk ontheffing verleend op basis van een psychologisch advies waarin psychische klachten werden vastgesteld en een GGZ-behandeling werd aanbevolen.

Appellant stelde in hoger beroep dat hem een permanente ontheffing had moeten worden verleend op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet. De Raad benadrukt dat het op de appellant rust om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een dergelijke permanente ontheffing, waaronder het overleggen van medische stukken die duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid aantonen.

Appellant heeft geen medische stukken overgelegd die dit onderbouwen. Het advies van de psycholoog van Indigo ondersteunt dit ook niet, omdat daarin juist een behandeling wordt aanbevolen en een herbeoordeling na behandeling. De Raad concludeert dat appellant niet heeft aangetoond dat sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het tijdelijke besluit tot ontheffing wordt bevestigd.

Uitspraak

22.2957 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juli 2022, 22/1526 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 30 april 2024
Zitting heeft: E.J.M. Heijs
Griffier: N. van der Horn
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 30 april 2024. Voor appellant is mr. N. Talhoui, advocaat, verschenen, waarnemend voor mr. R. Moghni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.T. Krabbenborg.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Bij besluit op bezwaar van 14 februari 2022 heeft het college, voor zover van belang, appellant voor de duur van één jaar tijdelijk ontheffing verleend van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Participatiewet (PW). Het college heeft daarbij verwezen naar een advies van een psycholoog van Indigo. In dat advies is vermeld dat appellant psychische klachten heeft, dat er geen extra participatiegerichte activiteiten gedurende twaalf maanden mogelijk zijn, dat de participatiemogelijkheden van appellant kunnen worden vergroot met behulp van GGZ-behandeling en dat na behandeling een herbeoordeling wordt aangeraden.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het college hem op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW permanent had moeten ontheffen van de verplichtingen tot arbeidsinschakeling, re-integratie en tegenprestatie.
Zoals volgt uit vaste rechtspraak [1] ligt het op de weg van degene die zich op deze bepaling beroept om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing ervan en is het daarom in eerste instantie aan hem om het college te voorzien van medische gegevens die zijn standpunt onderbouwen. Appellant heeft daaraan niet voldaan. Hij heeft geen enkel medisch stuk verstrekt dat erop kan wijzen dat sprake is van duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid. Bovendien volgt uit het advies van de psycholoog van Indigo ook niet dat appellant duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, nu daarin juist wordt geadviseerd een GGZ-behandeling te starten ter vergroting van de participatiemogelijkheden van appellant en een herbeoordeling te laten plaatsvinden na behandeling.
De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) N. van der Horn (getekend) E.J.M. Heijs

Voetnoten

1.Uitspraken van 11 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1380 en 9 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:127.