Appellante diende meerdere aanvragen om bijstand in, waarvan het college de eerste en tweede aanvraag afwees wegens vermeende schending van de medewerkingsverplichting door het niet overleggen van bankafschriften van een rekening van haar minderjarige dochter.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college de grondslag van de besluiten niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Het college handhaafde de grondslag niet en stelde zich op het standpunt dat appellante de medewerkingsverplichting had geschonden door het niet verstrekken van bankafschriften.
De Raad stelt vast dat appellante de bankafschriften van de rekening van haar dochter niet heeft verstrekt tijdens de eerste aanvraag, waardoor het college terecht die aanvraag afwees. Voor de tweede aanvraag is echter vastgesteld dat het college appellante niet heeft verzocht om die bankafschriften, zodat geen schending van de medewerkingsverplichting heeft plaatsgevonden en de afwijzing onterecht was.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en draagt het college op nieuwe beslissingen te nemen over de tweede en derde aanvraag. Tevens krijgt appellante een vergoeding van €3.500,- voor proceskosten en terugbetaling van griffierecht.