ECLI:NL:CRVB:2024:894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terug te komen van afwijzing starterskrediet wegens ontbreken werkgeverschap
Appellant, die een WAO-uitkering ontvangt, vroeg op 2 maart 2019 een starterskrediet aan bij het UWV voor de aanschaf van kantoorartikelen in verband met het beheer van een persoonsgebonden budget (pgb). Het UWV wees de aanvraag op 12 maart 2019 af omdat er geen sprake was van werkgeverschap. Na bezwaar en beroep werd de afwijzing gehandhaafd, maar op andere gronden, namelijk dat appellant niet als zelfstandig ondernemer kon worden aangemerkt en het starterskrediet disproportioneel was.
Appellant verzocht later om terug te komen van het besluit van 12 maart 2019, stellende dat er wel sprake was van werkgeverschap. Het UWV weigerde dit en handhaafde het besluit. De rechtbank bevestigde deze weigering en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de nieuwe feiten geen aanleiding gaven het besluit te herzien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank dat de nieuwe feiten geen reden zijn om terug te komen op het besluit, aangezien de afwijzing op andere gronden is gebaseerd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit van 12 maart 2019 en wijst het verzoek om schadevergoeding af.