ECLI:NL:CRVB:2024:922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%, maar het UWV herbeoordeelde zijn situatie na bezwaar van de ex-werkgever. Uit onderzoek van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen bleek dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en passende functies kan vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant objectief waren vastgesteld. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel werd verworpen vanwege het toetsingsverbod van de rechter op formele wetgeving.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen onderschat waren, onder meer door het ontbreken van een spreekuuronderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en onvoldoende rekening met rug- en schouderklachten. Ook stelde hij dat de geselecteerde functies niet passend waren en dat bijzondere omstandigheden toepassing van artikel 56 Wet Pro WIA in de weg stonden.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV: het onderzoek was zorgvuldig, de beperkingen juist vastgesteld en de functies passend. Nieuwe medische informatie van appellant veranderde het oordeel niet. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde opnieuw. Het hoger beroep werd afgewezen, de intrekking van de WIA-uitkering blijft in stand en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.