Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan wegens een chronische slaapstoornis en andere aandoeningen, maar het UWV concludeerde na onderzoek dat zij arbeidsvermogen had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante, ondanks haar beperkingen, in staat was eenvoudige taken te verrichten in een rustige en begripvolle werkomgeving.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen had en geen basale werknemersvaardigheden bezat. Zij stelde dat de benodigde structuur en begeleiding niet redelijkerwijs van een werkgever verwacht konden worden. De Raad heeft het standpunt van appellante onderzocht, maar onderschreef de motivering van de rechtbank en het oordeel van het UWV.
De Raad concludeerde dat appellante op haar achttiende verjaardag en in de vijf jaar daarna arbeidsvermogen had, mede gebaseerd op medische rapporten en arbeidsdeskundig onderzoek. De Raad stelde vast dat de beperkingen van appellante in acht waren genomen en dat zij, onder passende omstandigheden, taken kon uitvoeren.
Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard, de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.