ECLI:NL:CRVB:2024:953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Zij stelt dat haar beperkingen en klachten niet volledig zijn erkend en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
De rechtbank Oost-Brabant heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid voor de geselecteerde functies.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad concludeert dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende onderbouwd en gemotiveerd zijn, dat de beperkingen van appellante adequaat zijn meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst, en dat de geselecteerde functies medisch passend zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft van kracht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.