Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht om een WIA-uitkering met ingang van 20 september 2017, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant voerde aan dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de geselecteerde functies niet passend waren.
Na eerdere uitspraken werd een nieuw besluit genomen waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een uitgebreide Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opstelde, inclusief psychische beperkingen, en een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid op 0% vaststelde. Het bezwaar van appellant werd opnieuw ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat de medische onderbouwing van de verzekeringsarts overtuigend was en dat de beperkingen adequaat waren meegenomen. De geselecteerde functies bleken passend en de berekening van het maatmanloon en de omvang was juist. Hoewel de FML pas in beroep werd aangepast, leidde dit niet tot benadeling van appellant.
Het beroep werd afgewezen, de weigering van de WIA-uitkering bleef in stand. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.