Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig carrosseriebouwer, kreeg in 2009 een WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling in 2017 werd zijn uitkering beëindigd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In 2021 meldde appellant toegenomen klachten, waarop het UWV een WIA-uitkering per 1 juni 2021 weigerde toe te kennen, omdat geen sprake was van toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de beëindiging.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de long-, hart- en psychische klachten niet aantoonbaar waren toegenomen door dezelfde ziekteoorzaak. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de longklachten, hartklachten en psychische beperkingen wel waren toegenomen, maar leverde geen nieuwe medische informatie aan.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de longklachten pas na 2017 zijn ontstaan en niet zijn meegewogen in de eerdere beoordeling. De hartklachten dateren van na de datum in geding en de psychische klachten zijn niet objectief toegenomen op de datum in kwestie. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant per 1 juni 2021 een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.