Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek met fysieke klachten. Het Uwv stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid vast van minder dan 35%, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend. Na bezwaar en beroep werden aanvullende beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen, maar bleef de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet verder gingen dan vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat de ernst van zijn klachten onvoldoende was erkend en dat hij volledig arbeidsongeschikt was. Het Uwv stelde een nader onderzoek in, nam extra beperkingen op in de FML en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 65,45%. Het Uwv kende appellant daarop een WGA-vervolguitkering toe. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de aanvullende beperkingen terecht waren opgenomen en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond, maar wees het beroep tegen het latere besluit af. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht aan appellant.