ECLI:NL:CRVB:2024:998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen UWV-besluit over arbeidsongeschiktheid en proceskostenveroordeling
Appellant was senior material handler en meldde zich op 20 april 2017 ziek met fysieke en psychische klachten. Het UWV kende hem op 12 februari 2019 een loongerelateerde WGA-uitkering toe wegens 78,41% arbeidsongeschiktheid vanaf 18 april 2019. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd bij besluit van 27 juni 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen werden onderschat, mede vanwege wisselende belastbaarheid. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die aanvullende beperkingen vaststelde en een urenbeperking van gemiddeld twee uur per dag. Het UWV nam daarop een gewijzigd besluit op bezwaar (16 april 2022) waarin appellant voor 80-100% arbeidsongeschikt werd geacht, maar niet duurzaam. Het beroep tegen dit gewijzigde besluit werd ongegrond verklaard.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat appellant niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is. De deskundigenrapporten zijn zorgvuldig en consistent. De Raad vernietigt het besluit van 27 juni 2019 en verklaart het beroep daarop gegrond. Tevens veroordeelt de Staat tot vergoeding van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 juni 2019 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het beroep tegen het gewijzigde besluit van 16 april 2022 wordt ongegrond verklaard, en de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.