ECLI:NL:CRVB:2025:100

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
23/3047 Wajong
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en te late indiening

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar heeft het vereiste griffierecht niet betaald ondanks meerdere aanmaningen. Tevens is het beroepschrift te laat ingediend; het was pas op 3 november 2023 ontvangen terwijl de beroepstermijn was verstreken op 27 oktober 2023.

Appellant voerde aan dat het later toezenden van het vonnis de vertraging veroorzaakte, maar dit is niet relevant omdat het beroepschrift al vóór ontvangst van het vonnis was ingediend. De Raad concludeert dat appellant in verzuim is geweest en dat het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 januari 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en te late indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 januari 2025
23/3047 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
13 september 2023, 22/3350
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 10 januari 2024 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 136,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brieven van 8 februari 2024 en 19 juni 2024 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven, dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De aangetekende brief van 19 juni 2024 is op 15 juli 2024 bij de Raad retour gekomen. Deze brief is op 24 juli 2024 per gewone post opnieuw aan appellant verzonden. Daarbij is medegedeeld dat met de nieuwe toezending niet opnieuw een termijn is gaan lopen.
Het griffierecht is niet betaald. Daarom is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Verder geldt ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 13 september 2023 in afschrift aan partijen toegezonden.
Het beroepschrift is op 3 november 2023 ontvangen. Het is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 2 november 2023 ter post bezorgd.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Bij brief van 6 februari 2024 is aan appellant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft daarop bij brief van 15 februari 2024 geantwoord dat hij tijdig beroep heeft ingediend, maar dat hij niet het vonnis had bijgevoegd. De Raad heeft bij brieven van
6november 2023 en 15 december 2023 appellant gevraagd een kopie van de aangevallen uitspraak op te sturen, en heeft deze vervolgens ontvangen op 17 januari 2024. Appellant denkt dat het later opsturen van het vonnis ervoor heeft gezorgd dat de Raad zijn beroepschrift later in ontvangst heeft genomen.
Wat appellant heeft aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. In dat verband wordt overwogen dat het beroepschrift door de Raad in ontvangst is genomen op 3 november 2023, nog voordat appellant het vonnis had toegezonden. Het feit dat appellant het vonnis pas later heeft toegezonden, heeft hier dus geen invloed op gehad. Het beroepschrift is op 2 november 2023 door appellant ter post bezorgd, waarmee de termijn voor het indienen al was overschreden.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is ook hierom kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.