ECLI:NL:CRVB:2025:1007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangsom wegens niet tijdig doorzenden bezwaarschrift aan rechtbank
In deze zaak staat centraal of het late doorzenden van een bezwaarschrift van 1 februari 2021 door het college aan de rechtbank moet leiden tot het verbeuren van een dwangsom. Het college had eerder op 22 december 2020 een besluit genomen waarin het bezwaar van appellant werd gegrond verklaard. Appellant maakte vervolgens bezwaar tegen dat besluit en stelde het college in gebreke vanwege het niet tijdig beslissen. Het college wees de ingebrekestelling af en zond het bezwaarschrift door als beroepschrift aan de rechtbank.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat het besluit van 22 december 2020 een duidelijke beslissing op bezwaar was en het doorzenden van het bezwaarschrift aan de rechtbank geen nieuw besluit vormde. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het doorzenden van stukken geen besluit is waarop een beslistermijn van toepassing is, zodat het late doorzenden geen aanleiding geeft tot het verbeuren van een dwangsom.
Appellant voerde aan dat het college onnodig lang onduidelijkheid heeft laten bestaan en dat de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen juist bedoeld is om stilzitten tegen te gaan. De Raad oordeelt echter dat de wet niet voorziet in een dwangsom bij laat doorzenden en dat bezwaar maken tegen een beslissing op bezwaar niet mogelijk is, waardoor het bezwaarschrift als beroepschrift moet worden aangemerkt.
Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de afwijzing van de dwangsom blijft in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de dwangsom blijft in stand.