ECLI:NL:CRVB:2025:1036

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2025
Publicatiedatum
15 juli 2025
Zaaknummer
22/871 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:64 AwbArt. 8:57 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant over een WAJONG-zaak. Tijdens de procedure werd een deskundigenrapport uitgebracht en het UWV nam een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht het bestuursorgaan veroordeeld kan worden in de kosten indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan de indiener tegemoet is gekomen. De proceskosten werden begroot op € 4.081,50 voor verleende rechtsbijstand en € 184,- voor griffierecht.

De Centrale Raad van Beroep veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed. Het UWV had de kosten van bezwaar reeds vergoed. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2025 door S.B. Smit-Colenbrander.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

22/871 WAJONG
Datum uitspraak: 2 juli 2025
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 februari 2022, 20/2104 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W. Weehuizen, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 oktober 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Weehuizen. Het Uwv is niet verschenen.
Het onderzoek is heropend na de zitting.
De Raad heeft M. Roos-Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 18 april 2024 een rapport uitgebracht. Op verzoek van Roos-Vervoort heeft psychiater dr. J.A. Bouwens op 5 juli 2024 tevens een rapport uitgebracht.
Appellante heeft gereageerd op het deskundigenrapport.
Het Uwv heeft op 21 februari 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft laten weten zich te refereren aan het oordeel van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 21 februari 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen. Het Uwv heeft daarbij de kosten van bezwaar vergoed.
De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-) in beroep en € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een zienswijze, met een waarde per punt van € 907,-) in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding voor de aan appellante door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 4.081,50.
Ook zal de Raad bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.081,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van J.A. AdjeiAsamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2025.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah