ECLI:NL:CRVB:2025:1061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Buitenlandbijdrage voor medische zorg in België na bereiken AOW-leeftijd
Appellante woont met haar echtgenoot in België en had tot het moment van het bereiken van haar AOW-leeftijd recht op medische zorg als gezinslid van haar gepensioneerde echtgenoot, waarbij haar echtgenoot een buitenlandbijdrage aan het CAK betaalde. Vanaf 4 juli 2017 ontving zij zelf een AOW-pensioen en kreeg zij een zelfstandig recht op medische zorg in België, dat voorrang heeft boven het afgeleide recht als gezinslid.
Het CAK heeft daarom vanaf dat moment bij appellante zelf een buitenlandbijdrage geheven. Appellante maakte bezwaar tegen deze bijdragen over de jaren 2019 en 2020, maar de rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel en wijst het verzoek om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU af.
De Raad overweegt dat het zelfstandige recht op verstrekkingen krachtens artikel 32 van Pro Verordening 883/2004 voorrang heeft boven het afgeleide recht als gezinslid. De beëindiging van de verzekering als gezinslid met een E108-formulier door het CAK was daarom terecht. Appellante kan zich met een E121-formulier zelfstandig inschrijven bij de Belgische zorgverzekeraar. De Raad bevestigt dat het CAK de buitenlandbijdrage terecht heeft vastgesteld en dat appellante het betaalde griffierecht niet terugkrijgt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht een zelfstandig recht op medische zorg heeft en zelf een buitenlandbijdrage moet betalen.