Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1067

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
24/1888 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheidspercentage WIA-uitkering op 67,45%

Appellant heeft na een verkeersongeval beperkingen ondervonden en een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage vast op 67,45% na medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant betwistte dit en vorderde een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en benoeming van een onafhankelijke deskundige.

De rechtbank oordeelde dat het UWV aanvankelijk onzorgvuldig had gehandeld door geen spreekuurcontact met een verzekeringsarts te organiseren, maar dat dit gebrek was hersteld. De medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep was zorgvuldig en goed gemotiveerd, waarbij rekening was gehouden met alle relevante medische gegevens en beperkingen.

De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die appellant nog kon vervullen. De Raad concludeert dat het hoger beroep van appellant faalt omdat er geen nieuwe medische informatie is en de medische en arbeidskundige beoordelingen deugdelijk zijn. Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,45% blijft van kracht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,45% terecht is vastgesteld en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

24/1888 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juni 2024, 22/3130 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 juli 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 25 januari 2022 heeft vastgesteld op 67,45%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 mei 2025. Voor appellant is mr. Akdeniz verschenen. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als jeugdwerker voor 36 uur per week. Op 17 december 2018 heeft hij zich na een verkeersongeval ziekgemeld met lichamelijke en psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 januari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 73,22%. Het Uwv heeft bij besluit van 7 februari 2022 (besluit 1) aan appellant met ingang van 25 januari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Bij besluit van 10 februari 2022 (besluit 2) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 69,62%.
1.2.
Bij besluit van 22 november 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 67,45%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML aangepast en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft opnieuw functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant opnieuw berekend.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, tussenuitspraak gedaan op 2 november 2023, en geoordeeld dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat er geen spreekuurcontact is geweest met een verzekeringsarts. De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld appellant alsnog te laten onderzoeken door een verzekeringsarts tijdens een spreekuur, waar het Uwv op 5 januari 2024 gehoor aan heeft gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft extra beperkingen aangenomen en die vastgelegd in een FML van 18 maart 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de voor appellant geselecteerde functies nog steeds passend zijn. De rechtbank heeft vervolgens het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.
2.2.
Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het gebrek afdoende hersteld heeft en dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Uit het rapport van 18 maart 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij de dossiergegevens heeft bestudeerd en dat hij appellant (observatief) psychisch heeft onderzocht tijdens het spreekuur. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie opgevraagd bij de huisarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze informatie vervolgens kenbaar bij zijn beoordeling betrokken. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hij heeft goed gemotiveerd dat er bij appellant op 25 januari 2022 (de datum hier in geding) geen sprake is van een situatie waarin hij geen benutbare mogelijkheden heeft. De rechtbank heeft geen redenen om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende of verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Hij heeft rekening gehouden met de nek-, schouder- en rugklachten van appellant en forse beperkingen aangenomen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen. Hij heeft goed gemotiveerd waarom hij geen reden ziet voor het aannemen van aanvullende beperkingen voor deze klachten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook geen aanleiding gezien om aanvullende beperkingen aan te nemen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Hij heeft toegelicht dat er geen cognitieve tekorten zijn geobjectiveerd door de verzekeringsartsen van het Uwv en dat ook in het neuropsychologisch onderzoek van Ergatis van 9 juli 2020 en in de brieven van neuropsycholoog dr. E. Matser geen cognitieve tekorten zijn beschreven. De rechtbank kan deze motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Daarnaast is er ook geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een verdergaande urenbeperking had moeten aannemen. In de FML is opgenomen dat appellant 36 uur per week kan werken. Deze urenbeperking is aangenomen vanwege beperkte beschikbaarheid in verband met een medische behandeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft goed gemotiveerd dat er geen aanleiding is voor een urenbeperking om energetische redenen. Appellant heeft geen aandoeningen waarvan bekend is dat die gepaard gaan met verlies van energie. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep helder uitgelegd waarom er geen reden bestaat om vanwege de diagnose obstructief slaap apneu syndroom (OSAS) beperkingen aan te nemen. Nadat in 2018 de diagnose matige OSAS was gesteld, heeft appellant nog fulltime gewerkt. Pas in september 2023 is appellant in verband met deze aandoening opnieuw naar de huisarts gegaan.
2.3.
Omdat de rechtbank niet twijfelt aan de juistheid van de FML, heeft de rechtbank ook geen redenen voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt zijn voor appellant.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat hij volledig arbeidsongeschikt is, maar dat in ieder geval meer en zwaardere beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Doordat niet de juiste beperkingen zijn aangenomen, is de arbeidsdeskundige uitgegaan van onjuiste informatie en zijn voor appellant ongeschikte functies geselecteerd. Appellant heeft verder verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid van 67,45% in stand heeft gelaten, aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Wat de rechtbank hierover heeft overwogen, wordt onderschreven. Anders dan appellant stelt, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door hem ontvangen informatie van de huisarts betrokken in zijn beoordeling. Zoals volgt uit zijn rapport van 18 maart 2024, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de informatie van de neuroloog, longarts en neuropsycholoog in acht genomen.
4.3.
De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Wat over de medische beoordeling door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is overwogen, wordt onderschreven. Het Uwv heeft met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 november 2022 en 18 maart 2024 deugdelijk gemotiveerd dat in de FML van 18 maart 2024 voldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant.
4.4.
Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd. Wat appellant in hoger beroep, onder verwijzing naar de in beroep naar voren gekomen medische informatie, heeft aangevoerd, tast het oordeel van de rechtbank niet aan. Het Uwv heeft met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 maart 2024 overtuigend toegelicht dat er geen medische grond is voor het aannemen van verdergaande beperkingen.
4.5.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellant om een onafhankelijke deskundige te benoemen, afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
4.6.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 67,45% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.H. Ermers in tegenwoordigheid van A.K.F. Ouwehand als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2025.

(getekend) J.H. Ermers

(getekend) A.K.F. Ouwehand