ECLI:NL:CRVB:2025:1071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen bij jonggehandicapte
Appellante verzocht om een Wajong-uitkering op grond van haar medische situatie op de dag dat zij achttien werd, stellende dat zij duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte. Het UWV weigerde de uitkering, omdat uit medisch en arbeidskundig onderzoek bleek dat appellante aaneengesloten ten minste een uur kan werken en ten minste vier uur per dag belastbaar is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische situatie voldoende had beoordeeld, waarbij ook de psychiatrische diagnoses en beperkingen waren betrokken. De aanvullende brieven van begeleiders bevatten geen nieuwe medische informatie en konden het oordeel niet wijzigen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt en bracht zij nieuw bewijs in, waaronder een Wlz-indicatiebesluit en verslagen van deskundigen. De Raad oordeelde dat deze documenten betrekking hadden op een latere situatie en niet op de situatie op haar achttiende. De Raad onderschreef de eerdere medische en arbeidskundige beoordelingen en zag geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad concludeerde dat appellante op de peildatum over arbeidsvermogen beschikte en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd afgewezen en de weigering van de Wajong-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering omdat appellante op haar achttiende over arbeidsvermogen beschikte.