ECLI:NL:CRVB:2025:1096
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WIA-uitkering bij arbeidsongeschiktheid onder 35%
Appellante was laatstelijk werkzaam als kassamedewerkster en meldde zich in 2016 ziek met psychische klachten. Het UWV kende haar aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 51,63%. Later besloot het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering vanaf 11 juli 2019. Appellante betwistte dit en stelde dat zij meer medische beperkingen had, waaronder een urenbeperking.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en stelde dat appellante per 10 januari 2020 geen recht meer had op een WIA-uitkering. In hoger beroep voerde appellante opnieuw aan dat zij meer beperkingen had, maar het UWV voerde aan dat de beperkingen juist waren vastgesteld door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat appellante maximaal 32 uur per week belastbaar was, maar deze conclusie werd deels weerlegd door een andere verzekeringsarts die stelde dat de groepsbehandeling in een afrondende fase was en geen verdere urenbeperking rechtvaardigde. De Raad volgde deze laatste conclusie en de arbeidsdeskundige beoordeling dat de geselecteerde functies passend waren. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid terecht onder de 35% vastgesteld.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante, inclusief vergoeding van het griffierecht. Hiermee werd het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht geen WIA-uitkering toegekend omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.