ECLI:NL:CRVB:2025:1122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde op basis van een anonieme melding en onderzoek vast dat zij vanaf 25 april 2020 bij haar vriend woonde en een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde het teveel ontvangen bedrag terug.
Appellante betwistte dat zij vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerde en voerde aan dat de wederzijdse zorg later zou zijn begonnen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat vanaf 25 april 2020 sprake was van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg, mede op basis van verklaringen van appellante zelf tijdens een gesprek met de sociaal rechercheur. De Raad verwierp het verweer dat het college meer had moeten doorvragen.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de intrekking en terugvordering van de bijstand. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand worden bevestigd omdat appellante vanaf 25 april 2020 een gezamenlijke huishouding voerde.