ECLI:NL:CRVB:2025:1146
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens ongeschiktheid voor laatst verrichte arbeid niet onterecht
Appellante was werkzaam als docent economie en leidinggevende bij een supermarkt en meldde zich ziek op 26 november 2018. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, maar kende haar wel een Werkloosheidswetuitkering toe. Na een nieuwe ziekmelding in 2023 weigerde het UWV een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen sinds de WIA-beoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de psychische klachten die appellante aanvoerde niet relevant waren op de datum in geding. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met psychische klachten en dat de rechtbank een verouderd toetsingskader hanteerde.
De Raad oordeelt dat het UWV de weigering terecht baseerde op het feit dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen en dat het nieuwe toetsingskader van 23 december 2022 geen gevolgen heeft voor deze zaak. Psychische beperkingen waren op de datum in geding niet vastgesteld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waardoor de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering van appellante heeft beëindigd.