Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, maar het beroepschrift werd pas op 24 juli 2024 ontvangen, terwijl de termijn zes weken bedroeg en begon te lopen vanaf de dag na toezending van de uitspraak op 6 juni 2024.
Appellante stelde dat zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de post vanwege een mislukte bezorging en het ontbreken van een afhaalbericht, waardoor zij pas na een tweede toezending op 26 juni 2024 kennis kon nemen van de uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert, omdat het risico van het niet afhalen van aangetekende post voor rekening van appellante komt.
De Raad overwoog dat er geen bijzondere omstandigheden waren, zoals psychisch onvermogen of fouten van het bestuursorgaan, die het verzuim konden rechtvaardigen. Bovendien had appellante na de tweede toezending nog ruim drie weken om het beroepschrift in te dienen, wat zij niet heeft gedaan.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.