ECLI:NL:CRVB:2025:117

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
24/599 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en ontbreken aangevallen uitspraak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een onbekend gebleven uitspraak, maar heeft het vereiste griffierecht niet voldaan ondanks meerdere aanmaningen. Tevens is geen kopie van de aangevallen uitspraak overgelegd, noch is duidelijk tegen welke uitspraak het beroep is gericht.

De Raad heeft appellant herhaaldelijk verzocht het griffierecht te betalen en de aangevallen uitspraak te overleggen, maar appellant heeft niet gereageerd. De aangetekende brieven zijn retour ontvangen, wat wijst op verzuim van appellant.

Op grond van artikel 6:5 en Pro 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het indienen van een ondertekend beroepschrift met een omschrijving van het bestreden besluit en betaling van griffierecht verplicht. Het niet voldoen hiervan leidt tot niet-ontvankelijkheid.

De Raad oordeelt dat appellant niet in verzuimvrijstelling kan worden gesteld en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en het ontbreken van de aangevallen uitspraak.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 januari 2025
24/599 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht
Partij:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een onbekend gebleven uitspraak.

OVERWEGINGEN

Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het beroepschrift wordt ondertekend en ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht bevat. In het tweede lid is bepaald dat bij het beroepschrift zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, wordt overgelegd. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Bij brief van 18 april 2024 is appellant erop gewezen dat een griffierecht van € 138,- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.
Bij aangetekende brief van 19 mei 2024 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellant er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld kan worden.
De aangetekende brief van 19 mei 2024 is op 11 juni 2024 retour binnengekomen bij de Raad.
Het griffierecht is niet betaald. Reeds hierom is het hoger beroep niet ontvankelijk.
Daarnaast is bij het ingediende beroepschrift geen aangevallen uitspraak overgelegd. Evenmin is uit dit beroepschrift af te leiden tegen welke uitspraak het is gericht. Zo ontbreekt de datum van de uitspraak en is ook niet duidelijk welk bestuursorgaan de andere (verwerende) partij is.
Bij brief van 13 maart 2024 heeft de Raad appellant verzocht binnen vier weken een kopie te zenden van de aangevallen uitspraak.
Appellant heeft niet op deze brief gereageerd.
Bij brief van 15 april 2024 heeft de Raad appellant in herinnering gebracht van de brief van 13 maart 2024 en is appellant verzocht binnen twee weken te reageren.
Appellant heeft ook op deze brief niet gereageerd.
Bij aangetekende brief van 30 april 2024 heeft de Raad appellant de brieven van
13maart 2024 en 15 april 2024 nogmaals in herinnering gebracht, waarbij appellant een termijn van vier weken is gegeven om alsnog de kopie van de aangevallen uitspraak toe te zenden. Daarbij is erop gewezen dat als appellant niet tijdig een kopie van de aangevallen uitspraak indient, appellant er rekening mee moet houden dat zijn zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld.
De aangetekende brief van 30 april 2024 is op 21 mei 2024 retour binnengekomen bij de Raad, waarna de Raad bij brief van 28 mei 2024 appellant de brieven van
13maart 2024, 15 april 2024 en 30 april 2024 per gewone post heeft toegezonden. Daarbij is appellant medegedeeld dat met deze toezending geen nieuwe termijn is gaan lopen.
De Raad heeft niets meer van appellant vernomen en kan niet vaststellen tegen welke uitspraak het hoger beroep is gericht, omdat dit niet uit het beroepschrift kan worden opgemaakt.
Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
(getekend) J.D. Streefkerk
(getekend) A. Giesen
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.