ECLI:NL:CRVB:2025:1173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na herbeoordeling medische en arbeidskundige beperkingen
Appellante was sinds 30 januari 2020 ziekgemeld met psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerste beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen in passende functies en beëindigde daarom de uitkering per 3 april 2021.
Appellante maakte bezwaar en na een onzorgvuldige eerste beoordeling werd een aanvullend spreekuuronderzoek uitgevoerd door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, gevolgd door een arbeidskundig onderzoek. De nieuwe rapportages bevestigden dat appellante beperkingen had, maar dat zij toch geschikt was voor andere functies met een resterende verdiencapaciteit van 83,41%.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege procedurele tekortkomingen, maar handhaafde de rechtsgevolgen. In hoger beroep betoogde appellante dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep adequaat contact had met haar psycholoog en dat de beperkingen passend waren vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering van appellante heeft beëindigd.