ECLI:NL:CRVB:2025:1181
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep door UWV
Het UWV stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, maar trok dit hoger beroep vervolgens in. Betrokkene verzocht daarop om veroordeling van het UWV in de proceskosten die redelijkerwijs gemaakt waren in verband met de behandeling van het hoger beroep. Het UWV voerde geen verweer tegen dit verzoek.
De Centrale Raad van Beroep besloot de zaak niet op een zitting te behandelen omdat partijen geen zitting wensten. De Raad oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en overeenkomstig artikel 8:75 Awb Pro veroordeeld kan worden in de proceskosten bij intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan.
De proceskosten werden begroot op € 907,-, gebaseerd op één punt voor het indienen van een verweerschrift met een waarde van € 907,- per punt volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van dit bedrag aan betrokkene. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in aanwezigheid van griffier J.A. Achterberg, op 6 augustus 2025.
Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan betrokkene na intrekking van het hoger beroep.