Appellante had tot het tweede kwartaal van 2021 en vanaf het vierde kwartaal van 2022 recht op dubbele kinderbijslag voor haar dochter vanwege een intensieve zorgbehoefte. De Svb wees de aanvraag voor de tussenliggende periode af op basis van een zorgscore die volgens het Beoordelingskader Buk 2018 onvoldoende was, ondersteund door een medisch advies van het CIZ.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat er geen aanwijzingen waren dat de zorgbehoefte in de tussenliggende periode was verminderd. De Raad constateerde dat het CIZ-advies geen duidelijke toelichting gaf op de lagere zorgscore en dat de Svb niet aannemelijk had gemaakt dat de zorgbehoefte was veranderd.
De Raad oordeelde dat er sprake was van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit en dat de zorgbehoefte in de tussenliggende periode gelijk was gebleven. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en dubbele kinderbijslag toegekend vanaf het tweede kwartaal 2021. Tevens werden de proceskosten en het griffierecht aan appellante vergoed.