ECLI:NL:CRVB:2025:1190

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
11 augustus 2025
Zaaknummer
24/1735 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen het Uwv

In deze zaak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Aarsman, hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2024. Het Uwv had op 20 mei 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, waarop appellant op 27 mei 2025 het hoger beroep heeft ingetrokken. Tegelijkertijd heeft appellant verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. De Centrale Raad van Beroep heeft besloten dat een zitting niet nodig was, aangezien partijen geen bezwaar hadden tegen deze werkwijze.

De Raad heeft overwogen dat op basis van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht, het bestuursorgaan kan worden veroordeeld in de kosten als het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroepschrift. Aangezien het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar volledig aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen, is het Uwv veroordeeld in de proceskosten die appellant heeft moeten maken. De kosten zijn begroot op € 3.628,-, inclusief griffierecht van € 188,-.

De uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van griffier D. Kovac, en is openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 2024, 23/6468 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 6 augustus 2025

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Aarsman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 20 mei 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Op 27 mei 2025 heeft mr. Aarsman het hoger beroep namens appellant ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellant heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 mei 2025 volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen.
Het Uwv wordt veroordeeld in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.814,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 1.814,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Totaal € 3.628,-.
Ook dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.628,-;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling in tegenwoordigheid van D. Kovac als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2025.
(getekend) T. Dompeling
(getekend) D. Kovac