Uitspraak
29 november 2024, 23/1697
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel. Volgens artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Dit is ook van toepassing op hoger beroep conform artikel 6:24 Awb Pro.
Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen gronden. De gemachtigde van appellant is bij brief van 14 maart 2025 in de gelegenheid gesteld dit binnen vier weken te herstellen, maar heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. Vervolgens is bij aangetekende brief van 14 april 2025 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding tot niet-inhoudelijke behandeling kan leiden. Ook deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.
Er zijn geen redenen aangevoerd die het verzuim kunnen verontschuldigen. Daarom oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en wordt het beroep zonder inhoudelijke behandeling afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door M. Wolfrat, in aanwezigheid van griffier A. Giesen, en uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet tijdig aanleveren daarvan.