ECLI:NL:CRVB:2025:122
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging kinderbijslaguitbetaling aan ex-partner wegens niet-naleving ouderschapsplan
Appellant was gehuwd en heeft een dochter uit dit huwelijk. Na echtscheiding in 2011 is een co-ouderschapsregeling getroffen waarbij appellant de kinderbijslag int. In juni 2021 verzocht de ex-partner de kinderbijslag voortaan aan haar toe te kennen, omdat de dochter sinds juni 2021 bij haar woont. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2021 aan de ex-partner uit te betalen en weigerde deze vanaf het vierde kwartaal 2021 opnieuw aan appellant toe te kennen.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat het ouderschapsplan nog niet bestendig niet werd nageleefd en dat de niet-naleving tijdelijk was, mede door gezondheidsklachten en de coronapandemie. Hij voerde aan dat hij probeerde het plan weer na te leven en dat de Svb vooringenomen was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de besluiten van de Svb.
De Raad oordeelt dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat het ouderschapsplan sinds maart 2020 niet of beperkt werd nageleefd en dat vanaf 1 juli 2021 de niet-naleving een bestendig karakter had. De feitelijke situatie is leidend, niet de beweegredenen van ouders. Er is geen sprake van vooringenomenheid bij de Svb. Het hoger beroep faalt en de kinderbijslag blijft aan de ex-partner worden uitbetaald.
Uitkomst: De kinderbijslag wordt terecht aan de ex-partner van appellant uitbetaald vanaf het derde kwartaal 2021 vanwege bestendige niet-naleving van het ouderschapsplan.