De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding door verzoeker wegens overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure tegen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staat der Nederlanden.
De procedure begon met een bezwaarschrift van verzoeker op 25 november 2020. De minister heeft uiteindelijk op 24 december 2024 een tegemoetkomend besluit genomen, waarna het hoger beroep op 24 februari 2025 werd ingetrokken, met behoud van het verzoek om schadevergoeding.
De Raad stelt vast dat de redelijke termijn, die in beginsel maximaal vier jaar bedraagt voor een procedure in drie instanties, is overschreden met ongeveer een maand. Omdat de minister aanvankelijk binnen zes maanden op bezwaar heeft beslist, is de overschrijding uitsluitend in de rechterlijke fase gelegen. De Raad veroordeelt de Staat tot betaling van €500 schadevergoeding en €453,50 aan proceskosten voor verleende rechtsbijstand.
De zaak is behandeld zonder zitting, nadat partijen geen zitting hadden verzocht. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 21 augustus 2025.