ECLI:NL:CRVB:2025:128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft in 1999 een WAO-uitkering aangevraagd, die in 2004 door het UWV werd afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat hij tijdens een verzekerde periode arbeidsongeschikt was geworden en 52 weken aaneengesloten arbeidsongeschikt was geweest. In 2021 diende appellant een nieuwe aanvraag in, die het UWV op grond van artikel 4:6 Awb Pro afwees wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant voerde aan dat hij tijdens zijn werk bij een tomatenkwekerij in Nederland is blootgesteld aan pesticiden, wat heeft geleid tot aanhoudende fysieke en psychische klachten, maar kon dit niet met nieuwe feiten onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten niet terug te komen op het eerdere besluit. De Raad benadrukt dat het bestuursorgaan bevoegd is een herhaalde aanvraag af te wijzen zonder inhoudelijke heroverweging als er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. De Raad vindt het besluit van het UWV niet evident onredelijk en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd.