ECLI:NL:CRVB:2025:1295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens niet duurzaam arbeidsongeschikt
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van duurzame arbeidsongeschiktheid sinds haar achttiende levensjaar. Het UWV heeft dit geweigerd na medisch en arbeidskundig onderzoek, omdat zij oordeelde dat appellante niet duurzaam geen arbeidsvermogen had. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd, waarbij werd overwogen dat behandelmogelijkheden en een positieve ontwikkeling van arbeidsparticipatie niet zijn uitgesloten.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel degelijk duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het UWV onterecht van standpunt is veranderd. Het UWV stelde in incidenteel hoger beroep dat appellante op haar achttiende wel arbeidsvermogen had, maar dit standpunt werd door de Raad verworpen omdat het UWV in eerdere procedures dit standpunt ondubbelzinnig had prijsgegeven.
De Raad oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat het verzoek om een onafhankelijke deskundige en schadevergoeding wordt afgewezen. Het hoger beroep van appellante en het incidenteel hoger beroep van het UWV worden verworpen, en de rechtbankuitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De weigering van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellante niet duurzaam arbeidsongeschikt is.