Appellant was werkzaam als kassamedewerker en meldde zich in 2011 en opnieuw in 2016 ziek. Het UWV stelde aanvankelijk de arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% vast, waarna appellant bezwaar maakte en een procedure startte. Na diverse rapporten en aanpassingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) wees het UWV in 2022 een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 42,88%.
Appellant voerde aan dat de beperkingen onvoldoende waren meegenomen en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad oordeelde echter dat de medische en arbeidskundige onderbouwing juist en voldoende was, en dat de geselecteerde functies passend waren, ook gelet op het monotone karakter en de fysieke belasting van de functies.
Daarnaast werd vastgesteld dat de procedure ruim drie jaar langer duurde dan de redelijke termijn, waardoor appellant recht heeft op een schadevergoeding van € 3.500,-. Deze vergoeding wordt verdeeld tussen het UWV en de Staat. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het besluit van 17 januari 2019, verklaart het beroep gegrond, en verklaart het beroep tegen het nieuwe besluit van 22 april 2022 ongegrond. Hiermee wordt het standpunt van het UWV bevestigd en de procedure afgerond.