ECLI:NL:CRVB:2025:1318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen binnen vijf jaar
Appellante, voormalig administratief medewerkster, ontving vanaf 1994 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Na een herbeoordeling in 2005 werd haar uitkering beëindigd omdat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. In 2023 vroeg zij opnieuw een WAO-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat geen toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na beëindiging was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgde. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische beperkingen tussen 2005 en 2010 waren toegenomen, onderbouwd met een medicatieoverzicht en een brief van PsyQ. De Raad oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs boden voor een toename van beperkingen binnen de relevante periode.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat uit medische gegevens, huisartseninformatie en eerdere beoordelingen bleek dat geen sprake was van toegenomen beperkingen. Het medicatiegebruik en de diagnose somatoforme stoornis boden geen aanwijzingen voor een toename. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee de weigering van de WAO-uitkering in stand bleef.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar na beëindiging.