ECLI:NL:CRVB:2025:1322
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid en medische beoordeling
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het Uwv om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante, die voorheen als lijnoperator werkte, heeft zich op 5 oktober 2020 ziekgemeld en stelt dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 17 juli 2025, waarbij partijen niet verschenen. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat de medische beoordeling zorgvuldig is uitgevoerd en er geen nieuwe medische stukken zijn ingediend die de eerdere conclusies van het Uwv onderbouwen.
De rechtbank had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard en het bestreden besluit van het Uwv in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat de rapporten van de artsen van het Uwv zorgvuldig tot stand waren gekomen en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat, maar de Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de medische beoordeling van het Uwv juist is. De Raad heeft het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen, omdat er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en houdt de weigering van de WIA-uitkering in stand. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.