ECLI:NL:CRVB:2025:1322

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
4 september 2025
Zaaknummer
24/2398 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering op basis van arbeidsongeschiktheid en medische beoordeling

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de weigering van het Uwv om haar een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Appellante, die voorheen als lijnoperator werkte, heeft zich op 5 oktober 2020 ziekgemeld en stelt dat haar medische beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 17 juli 2025, waarbij partijen niet verschenen. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat de medische beoordeling zorgvuldig is uitgevoerd en er geen nieuwe medische stukken zijn ingediend die de eerdere conclusies van het Uwv onderbouwen.

De rechtbank had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard en het bestreden besluit van het Uwv in stand gelaten. De rechtbank oordeelde dat de rapporten van de artsen van het Uwv zorgvuldig tot stand waren gekomen en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat haar beperkingen zijn onderschat, maar de Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de medische beoordeling van het Uwv juist is. De Raad heeft het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen afgewezen, omdat er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en houdt de weigering van de WIA-uitkering in stand. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht, omdat het hoger beroep niet slaagt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 september 2024, 24/3170 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 28 augustus 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv appellante per 3 oktober 2022 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies niet vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering aan appellante heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Igdeli, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 17 juli 2025. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als lijnoperator voor 40,19 uur per week. Op 5 oktober 2020 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Appellante ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 september 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 3 november 2022 geweigerd appellante met ingang van 3 oktober 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 12 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullende beperkingen aangenomen en deze neergelegd in de FML van 16 februari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens op basis van de gewijzigde FML de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 22,64%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen.
2.1.
De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de zorgvuldige totstandkoming van de rapporten van de artsen van het Uwv en ook geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de medische beoordeling voor wat betreft de criteria voor Geen Benutbare Mogelijkheden (GBM) onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aan de hand van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten gemotiveerd waarom geen sprake is van GBM. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen twijfel is over de juistheid van de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft haar standpunt niet met medische stukken onderbouwd.
2.2.
Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de beroepsgronden met betrekking tot het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet slagen. Ter zitting is vastgesteld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet is uitgegaan van onjuiste feiten. Ook heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de beperkingen voor het handelingstempo en het samenwerken niet aan het selecteren van de geduide functies in de weg staan. Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat weliswaar sprake is van een overschrijding van de normaalwaarde voor reiken en tillen, maar dat hiervoor geen beperking voor appellante is vastgelegd en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. Het overschrijden van de normaalwaarde betekent niet automatisch dat ook de belastbaarheid wordt overschreden. Voor het reiken heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat door de geringere reikafstand de belastbaarheid niet wordt overschreden. De hogere frequentie wordt dus gecompenseerd door de geringere reikafstand. Voor het tillen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat het gaat om incidenteel tillen en dat daarom de belastbaarheid niet wordt overschreden.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat. Zo is sprake van een ernstige psychische stoornis. Uit informatie van Yulius van 21 november 2023 blijkt namelijk dat sprake is van paniekstoornis, agorafobie, partner- en relatieproblemen, en ouder-kind relatieproblemen. Uit de website van Yulius blijkt dat een paniekstoornis wordt gezien als een ernstige psychiatrische aandoening. Deze stoornis zou dan ook moeten leiden tot het aannemen van GBM. Ook is de zelfzorg niet goed, wat het gevolg is van fysieke klachten en spanningsklachten. Appellante verzoek de Raad een deskundige te benoemen omdat er een verschil van mening is over de vraag of de vastgestelde psychische stoornissen ernstig zijn en of deze aanleiding geven tot het aannemen van GBM. Daarnaast heeft appellante gesteld dat genoegzaam is aangetoond dat duizeligheid en trillen bij de paniekstoornis horen.
3.1.
Verder heeft appellante aangevoerd dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn omdat haar beperkingen zijn onderschat. Zo heeft appellante in beroep verwezen naar het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem waarin een voorbeeld is gegeven van een functie met een hoog handelingstempo en zij acht dit ook van toepassing op de functie productiemedewerker industrie. Appellante stelt zich op het standpunt dat een korte afstand bij reiken de hoge frequentie niet kan compenseren en dat ten onrechte op dit punt geen overleg met de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden. Ook is het tillen in de functie niet incidenteel blijkens de beschrijving.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende gemotiveerd besproken. In hoger beroep heeft appellante geen nieuwe (medische) stukken ingediend. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen.
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd in de conclusie dat uit de informatie van Yulius wel een classificatie van de psychische problematiek blijkt, maar niet dat sprake is van een ernstige psychische stoornis. Ook kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep worden gevolgd in het standpunt dat niet objectief is onderbouwd dat appellante niet in staat is tot zelfzorg door haar psychische klachten en dat geen aanleiding bestaat om beperkingen aan te nemen voor duizeligheid en trillen omdat deze klachten, als gevolg van paniekaanvallen, tijdelijk zijn en er al beperkingen voor de paniekaanvallen zijn aangenomen.
5.3.1.
Omdat de noodzakelijke twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv ontbreekt, wordt het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen, afgewezen.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank verder terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de geselecteerde functies voor haar niet geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) C.E.A. Tessemaker