ECLI:NL:CRVB:2025:1345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van toekenning WIA-uitkering met 46,38% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant die het beroep tegen het bezwaarbesluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had op 7 oktober 2020 een WIA-uitkering toegekend aan appellant met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 46,38%. In het bestreden besluit van 6 april 2022 stelde het UWV vast dat appellant volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt was.
Appellant voerde aan dat zijn knieklachten meer beperkingen veroorzaakten en dat deze duurzaam waren. De rechtbank heeft deze gronden reeds besproken en verworpen. In hoger beroep bracht appellant geen nieuwe medische argumenten of stukken in. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en voegt toe dat het expertise-rapport van orthopedisch chirurg Devilee uit april 2024 niet aantoont dat appellant op de peildatum meer beperkingen had dan door het UWV aangenomen.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in meerdere rapporten, laatstelijk van augustus 2025, toegelicht dat de knieklachten op 14 oktober 2020 niet duurzaam waren, omdat verbetering mogelijk was door optrainen, een operatie en/of gewichtsreductie. Hoewel gewichtsreductie het kniegewricht niet herstelt, vermindert het wel de belasting en klachten. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 14 oktober 2020 een WIA-uitkering ontvangt met 46,38% arbeidsongeschiktheid, waarbij de knieklachten niet duurzaam waren.