ECLI:NL:CRVB:2025:1346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering aan zelfstandige arbeidsongeschikt na 2004
Appellant, een zelfstandige die sinds 2019 in Hongarije werkt en eerder in Nederland heeft gewerkt, werd in 2021 arbeidsongeschikt. Hij verzocht om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat volgens artikel 3 van Pro de WAZ zelfstandigen die na 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt worden, niet verzekerd zijn en geen recht hebben op een WAZ-uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep summiere en onvoldoende onderbouwde gronden aan, die in essentie overeenkomen met zijn eerdere bezwaren bij de rechtbank. De rechtbank had deze gronden reeds verworpen en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep sluit zich hierbij aan en benadrukt dat de invoering van de Wet einde toegang verzekering WAZ zelfstandigen niet langer verplicht verzekert, waardoor zelfstandigen zelf kunnen kiezen voor particuliere verzekering.
Hoewel appellant persoonlijke omstandigheden aanvoerde, zoals het verlaten worden door zijn echtgenote en het onderhouden worden door zijn ouders, acht de Raad deze niet relevant voor het recht op een WAZ-uitkering. De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering aan appellant omdat hij na 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt is geworden en niet verzekerd is volgens de WAZ.